Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

verhaal: Siep Kooi

Een duivels dilemma

Een poosje geleden liep ik met mijn kleinzoon Mats in het Kotterbos te wandelen. Omdat hij ervan houdt om door bosjes te struinen op zoek naar Indianen, ridders, zeerovers en wat dies meer zij, waren we van het betonpad afgedwaald.

De takken zwiepten ons in het gezicht. Op het moment dat we dachten aardig verdwaald te zijn, hoorden we een geluid dat duidelijk niet in het bos thuis hoorde. Mats luisterde scherp. “Dat zijn geen Indianen”, fluisterde hij, “want die zijn onhoorbaar.”
“Misschien zijn het wel bandieten”, fluisterde ik terug.
Mats’ ogen begonnen te glinsteren.
“Erop af”, riep hij binnensmonds, en voor ik er erg in had rende hij “AANVALLE!!!” roepend, nog dieper het bos in. Omdat ik bang was hem kwijt te raken, rende ik hem achterna, roepend dat hij terug moest komen.

Na enige tijd hoorde ik hem niet meer roepen. Ook het geluid dat duidelijk niet in het bos thuishoorde was plotseling verstomd. Doodse stilte nu. Ik rende door en zag eindelijk Mats op een meter of vijftig van een bestelbusje staan. Met driftige gebaren wenkte hij me. Ik zag in de verte een gedrongen man met gemillimeterd blond haar en een kort baardje in de auto springen, de motor starten en met gierende banden wegrijden. “Wat staat erop het nummerbord”, riep ik naar Mats, wetend dat dit weinig zin had. Mats kon met zijn vijf jaar al wel wat lezen, maar de letter- en cijfercombinatie van een nummerbord onthouden was iets anders.

Toen ik op de plek des onheils kwam, zag ik het busje in de verte al hobbelend het bospad afrijden. Verslagen zagen we wat het busje veroorzaakt had . Restanten laminaatparket, rollen oude vloerbedekking, halflege zakken cement, een hele hoop kalkresten, enkele gescheurde vuilniszakken met andere troep die men overhoudt na een verbouwing. Mats, die geleerd had dat hij nog geen snoeppapiertje op straat mocht gooien, keek me aan: “Ik zag een ‘drie’ en een ‘acht’, en ook een ‘nul’, maar dat kon ook een ‘o’ zijn. Ik weet het niet meer opa”.
Ik streek hem over zijn bol: “Dat geeft niet, joh”, zei ik, “jij hebt in elk geval je best gedaan”.
“Ja, ik heb een echte bandiet weggejaagd”, zei hij trots.

Toen we onze afschuw over deze wandaad gespuid hadden, liepen we terug.
Na enige tijd vroeg Mats: “Waarom moest ik dat nummer onthouden, opa?”
Ik vertelde hem dat ik dan de kliklijn had kunnen bellen, zodat die man gestraft zou kunnen worden, en legde hem uit wat de kliklijn inhield.
Lange tijd was het stil. Toen zei Mats: “Ik mag niet klikken van de juf, dan mag jij dat ook niet doen”.
Ik zei dat hij gelijk had en dat ik eigenlijk achteraf niet zeker wist of ik de kliklijn wel gebeld zou hebben. De kliklijn, een duivels dilemma.

Reacties