Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

We lopen elke dag even naar de haven

1980 - 2006
/

De heer en mevrouw Goed wonen sinds 1983 aan de Stadswerf. Binnenkomend in het huisje, ga je 50 jaar terug in de tijd. Alsof je een oudhollands vissershuisje binnenstapt.

Een schouw met delftsblauwe tegeltjes is de blikvanger in de huiskamer. Boven het ‘houtvuur’ hangt een koperen ketel. Overal staan prachtige replica’s van oude zeilschepen die de heer Goed zelf maakt. Aan de muur hangen kleurrijke schilderijen, ook zelf geschilderd, naast exotische voorwerpen uit alle werelddelen. Het is duidelijk: de scheepvaart speelt een duidelijk belangrijke rol in dit gezin.

Geen wonder, deze nostalgische inrichting. Mijnheer Goed komt oorspronkelijk uit Medemblik en groeide op in een vissersgemeenschap. Zelf visser worden was er niet bij, want na de afsluiting van de Zuiderzee viel er geen droog brood meer te verdienen op zee. Pieter Goed wilde graag naar de kunstacademie, maar een leven als kunstschilder zou waarschijnlijk ook geen vetpot worden. Uiteindelijk kwam hij terecht in de scheepsbouw in Amsterdam. Schepen en schilderen zijn nog steeds zijn grote passie. “We hebben elkaar in Amsterdam leren kennen. Mijn vrouw was mijn buurmeisje. Later zijn we naar het noorden verhuisd, met onze drie kinderen,” vertelt hij. “Maar de werkloosheid was er groot en voor de kinderen was er geen toekomst.” “We kregen de kans een restaurant te beginnen in Bussum,” zegt mevrouw Goed. “In het begin liep dat prima, we kregen veel mensen van de televisie over de vloer. Ik stond met mijn zoon in de keuken, Pieter stond achter de bar. Maar toen de televisiestudio verhuisde, was het met de zaak ook gedaan. De loop ging er uit en het risico werd te groot. Toen hebben we de zaak opgedoekt en zijn naar Almere verhuisd. Ik vond er niks aan in Almere. Dat hele Almere trok me niet. We hebben wel contact met de mensen, maar eigenlijk alleen met de mensen direct om ons heen. Ik vind het hier echt onpersoonlijk. In de straat zelf is het wel leuk hoor, we helpen elkaar altijd. Ik ben wel blij dat in Haven wonen, in Stad vind ik het nog veel koeler. Het is hier wat dorpser.” Mijnheer Goed: “We zijn ook nooit lid geworden van een club of zo, we hebben het druk genoeg.” “We hebben wel lang een volkstuin gehad. Bij de Kluitenduikers. Ik kocht nooit geen groenten, de opbrengst was zo groot. Emmers vol bietjes. Ik weckte wel veel zelf maar het was erg veel werk, ik kreeg die opbrengst niet verwerkt dus daar zijn we mee gestopt. Maar zelfs in ons kleine achtertuintje kweek ik nu nog bonen.”

“Er is niet zoveel veranderd,” zegt mijnheer Goed. “In dit stukje straat wonen nog veel mensen van het eerste uur. Er is wel veel bij gebouwd.” “De speeltuin bijvoorbeeld,” vult mevrouw Goed aan. “ik hoop wel dat die blijft want ik heb gehoord dat die misschien weg gaat. Maar we kunnen toch allemaal wat contributie betalen? Zo ging het in Amsterdam ook altijd! Waar we echt van genieten hier in Haven is het Havenfestival met die oude botters.” “We lopen elke dag even naar de Haven als we boodschappen doen,” zegt mijnheer Goed. “Even naar de schepen en het water. Nu in de winter valt er niet veel te beleven, maar ’s zomers is het leuk. Ik ben naar de wethouder geweest, jaren geleden. Ik zou hier zo graag een museum willen. En dan met aandacht voor het water. Almere was water, wat past hier nou beter? Ook goed voor de jeugd. Maar de gemeente wil niet. Jammer. Het zou mooi aan de kop van de haven kunnen.” Mevrouw Goed ziet in Haven ook dingen die minder leuk zijn. “Die muurschilderingen in Haven zijn leuk, maar die worden vernield. Dat is toch treurig. Waarom moet dat nou? En de Kerkgracht wordt gebruikt als vuilnisbak, dat snap je toch niet? De gemeente moet die vuilnisbakken ook wat vaker legen!”

Voor ik vertrek, laat mijnheer Goed me nog even de schilderijen en scheepsmodellen zien die op zolder staan. “Let niet op de troep, de woningbouw komt de ramen renoveren dus alles moest versjouwd worden.” Boven is het onverwacht groot. We lopen via de tweede verdieping, met de naaikamer van mevrouw Goed, naar zolder. Mijnheer Goed laat me een van zijn houten schepen zien, alles klopt, tot in het kleinste detail. “Ik ben er gemiddeld een jaar mee bezig.” Er wordt hard gewerkt op de zolderkamer, dat is duidelijk. Hout, verf, doeken; zo te zien kan mijnheer Goed nog jaren voort. “Alleen al daarom zou het fijn zijn als dat museum er zou komen,” lacht mevrouw Goed. “We hebben hier geen ruimte meer voor al die schepen en schilderijen!”

Reacties