Is de stad Almere wel stedelijk?
In 2000 presenteerden Kees Schuyt en Leon Deben hun rapport Sociale Cohesie in Almere. Bij de aanbieding complimenteerden zij de burgemeester ermee dat hij zich "als eerste" inzette om van Almere een echte stad te maken.
Daarmee deden ze zijn voorgangers tekort. Als de geleerde heren zich in de geschiedenis hadden verdiept, hadden ze beter kunnen weten. De ontwerpers hebben namelijk sinds 1972 nooit anders voor ogen gehad dan er een onafhankelijke stad van te maken. De RIJP heeft zelfs met deze doelstelling de opdracht voor de bouw van de stad weten binnen te halen: Amsterdam en Amersfoort hadden Almere willen bouwen als nieuwe wijk voor zichzelf en dat was niet wat Den Haag wilde. Het PBA wilde een echte stad, maar kan je stedelijkheid wel maken?
Aanvankelijk dachten we iets te kunnen bereiken met een "stenig" karakter. Mijn vier sfeertekeningetjes in het structuurplan van Almere Haven getuigen daar nog van: stegen, trappen, galerijen, alles zo smal en stenig mogelijk. Verder verwachtten we resultaat van het mengen van functies: wonen boven winkels, kantoren en een hele scholengemeenschap midden tussen de woningen. "Iedere kostwinner die in Almere woonde zou er ook moeten kunnen werken" was het devies. Dat betekende in het eerste structuurplan ruimte voor werkgelegenheid voor één op de drie inwoners. Met dit alles maak je nog geen stad. Het was een naïeve gedachte, een misvatting trouwens waar studenten nog steeds mee blijven komen. Dit zijn geen oorzaken van stedelijkheid, maar gevolgen ervan. Stedelijkheid vált niet te maken. Ook voldoende werkgelegen-
heid kun je niet afdwingen, hoogstens stimuleren. Wat dit betreft is zelfs Rem Koolhaas naïef geweest met zijn verwachting dat je, als je maar veel kantoren bij elkaar veegt en ze flink hoog maakt, stedelijkheid zou kunnen organiseren. Ook een voltooid zakencentrum, met duizenden werknemers op een kluitje zal dat niet opleveren. Om vijf uur stapt iedereen in de auto (of liever in trein en bus) om zich naar huis te spoeden en verder zal het er grotendeels koud en leeg bij liggen met schoonmakers en bewakers als enige menselijke wezens.
Evenmin is een nieuw theater, compleet met toneeltoren, garantie voor stedelijkheid. Voorlopig zal er niet meer te beleven zijn dan een Paul de Leeuw of een rondreizend Oost-Europees operagezelschap. Maar zo´n theater is wel een voorwaarde en een kans. Er kán dan een keer een ambitieuze directeur komen die publiek aantrekt van ver buiten de stadsgrens, of die een eigen publiek binnen de stad gaat kweken voor iets bijzonders.
Wat maakt dan stedelijkheid? De hoge druk misschien van heel veel mensen bijeen in een regio, door schaarste aan ruimte, zoals een stoommachine pas op gang komt bij voldoende compressie. Gaat het dan om het aantal inwoners? "De vierde stad van Nederland" zou Almere worden. Pure grootspraak natuurlijk als men zich bedenkt dat je voor een stad, als centrum van voorzieningen en stedelijke activiteit, altijd het achterland moet meerekenen. Denk eens aan provinciale centra als Utrecht of Groningen. Almere heeft met z´n 170.000 inwoners geen enkel achterland. Bij het inwonertal van Amsterdam mag je daartegenover een regio optellen waar onder meer Almere deel van uitmaakt! Zelfs Leeuwarden en Middelburg hebben meer achterland dan wij.
Zo bekeken zakt onze stad voorlopig terug naar een bescheiden plaats op de ranglijst, waar stedelijkheid de komende decennia nog ver te zoeken zal zijn. Natuurlijk is het goed om met ambitie te werken aan een echt stadscentrum, om alles in het werk te stellen om werkgelegenheid en onderwijsinstituten, óók hoger onderwijs, binnen te halen als voorwaarden voor stedelijkheid. Voorlopig blijft Almere niet meer dan een forensenstad en als het zich ooit nog eens tot een volwaardige provinciestad kan ontwikkelen, zoals Haarlem of Zwolle, dan mogen we dik tevreden zijn.
Niets hieruit mag gebruikt worden zonder schriftelijke toestemming vooraf van de auteur.