Ecologie als inspiratiebron.
In de tijd dat Almere Haven ontstond maakten stedenbouwers gretig gebruik van begrippen uit een heel ander vak, de ecologie: de wetenschap van het natuurlijke evenwicht.
Van Leeuwen uit Wageningen, die het goed aan leken kon uitleggen, was populair in Delft. Zelfs in de rijksnota’s uit die tijd kom je begrippen tegen als "monocultuur en variatie". "Milieudifferentiatie" was een politiek toverwoord, zoals in later jaren de termen "nabijheid" en "duurzaamheid" dat werden.
In onze overmoed draaiden we de volgorde zelfs om. Wat ecologen achteraf doen, de analyse van een stuk natuur om inzicht te krijgen in het gecompliceerde krachtenspel, deden wij op de blanke ondergrond van de stad (1): We begonnen met een blokjesmodel dat precies aangaf hoe de dichtheid gradueel zou moeten oplopen naar centrum en bushaltes, in de veronderstelling dat je daarop een buurt zou kunnen ontwerpen. Zoals Manhattan door de jaren heen uit ruimtenood omhoog rees, wilden wij dat programmeren, vooraf en op minischaal.
Randen, de grens tussen twee sferen, zijn belangrijk in de ecologie. Je hebt harde randen, barrières, en zachte, geleidelijke overgangen, gradiënten. Op de rand, daar gebeurt het. Zo zagen wij dat voor het stadsontwerp ook. In Delft had ik met een vriend zelfs ironisch een "grensclub" opgericht.
Wat we bij aankomst in Almere aantroffen was een vierkante lap opgespoten zand voor de eerste kern, nota bene een vierkant met lánge réchte randen. We rustten dan ook niet totdat de argumenten gevonden waren om die "randlengte te vergroten": uitstulpen en indringen, hier zand erbij en daar eraf. Deze stad moest véél en lange randen krijgen. Het polynucleaire model, waarbij in plaats van één grote stad een aantal kleintjes zouden ontstaan, was daarbij een stap in de goede richting. De vorming van woonlobben en groene wiggen volgde. Die kaarsrechte dijk, die daar onaantastbaar lag, was ook al helemaal fout, een barrière. Samen met Isaak Salomons heb ik toen met verhalen en tekeningen geijverd om er land naar buiten, en water naar binnen te krijgen. Dat dit later ook nog zou gaan lukken, Henk van Willigen weet er meer van, hadden we niet durven hopen.
Toen ik in 1975 het eerste plan mocht maken voor de Meenten en de Grienden — het is later uitgewerkt door Lex Verhoeven van OD 205 — heb ik dat op kleine schaal nóg eens gedaan: door clusters van bebouwing naar buiten te brengen, als spetters rood in het groen, wordt de rand langer en interessanter. Zo kan je nog meer mensen aan de rand van de stad laten wonen. Het is op twee plaatsen te zien: de Grasmeent aan de oostkant van Almere Haven en de Dijkmeent en de Terpmeent bij van het Gooimeer. Daar heeft Bakema nog kort voor z’n dood zelf aan mee ontworpen. Hij maakte groepjes flats in het gras, met een omwald parkeerterrein ervoor.
Romantisch wellicht, onpraktisch, en afkomstig van een discipline die niets met stedenbouw te maken heeft. Maar ga er eens kijken, het zijn nu wel enkele van de mooiste plekjes van de stad. En natuurlijk worden ze bedreigd. Verschillende plannen zijn de afgelopen jaren gemaakt om de ruimte tussen deze clusters, zowel aan de oostkant van Almere Haven als aan de waterkant, met nieuwbouw op te vullen. Makkelijk, want de infrastructuur ligt er al.
Zo dreigt uiteindelijk de grens weer rechtgetrokken te worden, rationeel en economisch verantwoord, maar o wat jammer. Zo worden ook veel van de groene wiggen nu reeds gevuld met "inbreiprojecten". Het zal wel nodig zijn maar, er wordt wel weer een kip met gouden eieren geslacht.
1. Zie werkdocument 1974-166Bf van de RIJP: ´Methode tot karakterisering van de verschillende siutueringen van woongebieden in almere-haven´ van Nawijn, Laumanns en Verbeek, deel 2 van de serie Programmering van woongebieden.
Niets hieruit mag gebruikt worden zonder schriftelijke toestemming vooraf van de auteur.