Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

verhaal: Siep Kooi

Almere op de wereldkaart

2005

Het is eind oktober 2005.
Mats, mijn bijna zesjarige kleinzoon, en ik naderen Almere, rijdend op de A 27. De olifanten komen in zicht. Elke keer is het voor ons weer teleurstellend om te zien dat ze nog geen meter van hun plaats veranderd zijn.

"Luie olifanten hoor!", zeggen we dan.
Plotseling zien we, of liever Mats ziet ze het eerst, een enorme zwerm kieviten als een zwarte wolk door het luchtruim dwarrelen. Het moeten er duizenden zijn. "Wat gaan die doen, opa?" Ik vertel hem dat ze zich verzamelen om naar het zuiden te trekken, omdat het daar ‘s winters warmer is dan hier en dat ze daar meer voedsel kunnen krijgen. In het voorjaar - als alles goed is gegaan - keren ze weer terug.

Uiteraard komt dan de onvermijdelijke vraag: "Maar hoe kunnen die vogels de weg dan terugvinden, opa?" Ik besluit eerlijk spel te spelen en er niet om heen te draaien. Ik zeg hem dat zelfs de geleerden, die alles van vogels afweten, hier nog niet helemaal achter zijn.
"Echt niet?", vraagt Mats met een verbaasd gezicht. Hij kan het niet geloven. "Nee echt niet", zeg ik, "ze weten er wel een beetje van, maar lang niet alles".
"Nou", zegt Mats triomfantelijk, "dat is dan dom, want ik weet het wel!"
"Vertel", zeg ik nieuwsgierig.
"Kijk", legt Mats uit, “nogal wiedes. Op de heenweg hebben ze heel goed opgelet en als ze dan weer terug willen, gaan ze zo hoog vliegen dat ze de hele wereld onder zich kunnen zien. Dan kunnen ze in de verte de olifanten van Almere zien - die zijn groot genoeg - en dan vliegen ze er zo naar toe. Zo simpel is dat."

Ik kijk naar hem in mijn spiegel. Tegen zoveel vanzelfsprekendheid kan ik niet op. Zijn kinderlogica heeft Almere voor eens en voor altijd op de wereldkaart gezet.

Reacties