Je kunt je bloknootje wel weer opbergen, hoor!
Henk Kruit is al twee jaar dood. En dat is een gemis want hij was belangrijk: een centrale figuur in de stad. Daarom richt ik een monumentje voor hem op. Met mijn herinneringen en die van anderen. Deel 2: Met Henk in Europa.
Het jaar 2001. Geloof ik. Een persreisje naar Brussel waar we uitgebreid voorgelicht gaan worden over wat Europa allemaal voor Flevoland betekent. We zitten in de bus voor het Provinciehuis, de voltallige Flevopers en ik. Ik zit naast Bart Buijs, we werken samen aan een Europa special voor het VBA Magazine. Het bankje tegenover ons is leeg.
Er wordt op het raam gebonsd. Ik kijk opzij. Een kwajongen van een jaar of 50 grijnst breed naar me: Henk Kruit. “Franssen!," brult hij. “Geweldig! Je gaat ook mee! Dit wordt een heel leuk reisje!" Ik kreun inwendig, werken is lastig met Henk in de buurt. Hij wringt zich door het gangpad en gaat tegenover me zitten. Gekleed in een babygele (zelfgebreide?) pullover met korte mouwen en daaronder zo’n managersoverhemd. Blauw gestreept met een roze boord. “Iets van me drinken, schoonheid?" En hij duikt het bus ijskastje in en komt terug met twee blikjes Heineken. Het is 10 uur ’s ochtends, we zijn nog niet eens op de A6. Dit wordt een lange rit.
We staan in de file. Natuurlijk staan we in de file. Urenlang. De regen stroomt, de bus kruipt, Henk drinkt. En praat. Langzaam verandert de kwajongen in een zachte, soms emotionele man. We praten over zijn hart. De kuren, de operaties, het falen. We praten over zijn hart. De liefde, het verlies ervan, het verlangen en de dood. Af en toe vloekt hij. “Waren we maar met de auto, jij en ik. Hadden we al lang op de Markt aan een pint gezeten!" Eindelijk Brussel. Inchecken in het hotel. Nauwlettend houdt hij in de gaten welk kamernummer ik heb. Zes uur lang Henk in de bus, een overdosis. Ik heb wel behoefte aan iets anders en ik ga eten met anderen uit de groep. ' s Avonds hoor ik zijn bekende brul over de Brusselse Markt schallen: “Franssen, hier zit ik!" Hij zit op een aangrenzend terras en gebaart druk: hier komen! Geen centje pijn later in het hotel. Een volmaakte heer, verlegen zelfs brengt hij me naar mijn kamer en wenst me welterusten.
Er moet ook nog gewerkt worden. En dus sjokken we gedwee van de ene saaie bijeenkomst naar de andere saaie bijeenkomst. En iedere keer weer gaat Henk schuin voor me zitten, draait zich na een minuut of tien naar me om en zegt dan keihard: “Heb jij nog wat nieuws gehoord, Franssen? Nee hé? Helemaal niets. Je kunt je bloknootje wel weer opbergen hoor!"
Reacties