Città Ideale als uitdaging.
Door de eeuwen heen zijn er modelsteden bedacht. De ´città ideale´ is een utopie, droom van de volmaakte stad.
Wie het boekje doorbladert waarin L.A. De Klerk bekende voorbeelden uit de geschiedenis van de ideale stad beschrijft (1) wordt getroffen door de eenvoud van hun verschijning: vierkant en cirkelvormig zijn ze, soms achthoekig of een gave rechthoek. Je kunt eraan aflezen dat ze niet gegroeid zijn vanuit een situatie, niet beperkt en bepaald door rivierlopen of bergen. Ze zijn de pure weerslag van een idee. Waarom is Almere niet ontworpen als zo´n ´città ideale´? Hier op een maagdelijke zeebodem, ongehinderd door welke beperking dan ook, lag een historische kans om de ideale stad van nu te verwezenlijken. Toegegeven, beperkingen vormen ook een inspiratie. Geomorfologische en historische randvoorwaarden kunnen het karakter van een stad bepalen. Maar hier was het omgekeerd: juist de afwezigheid van vrijwel elke context bood de unieke kans om een modelstad te maken.
Wie de drie tot nu toe gemaakte kernen daarop bekijkt, moet constateren dat Almere allebehalve een modelstad is. De drie kernen geven met elkaar eerder een overzicht van hoe verschillend je met de ondergrond kunt omgaan.
Almere Buiten volgt daarin het meest de gebruikelijke benadering, want helemaal blank was deze ondergrond natuurlijk niet. Het systeem van vaarten, sloten en drains waarmee de polder ooit is drooggelegd en dagelijks droog gehouden wordt ligt ten grondslag aan de vierkante kamers die achtereenvolgens met nieuwe buurten worden ingevuld. Het oogstte daarom meteen waardering van vakgenoten: zo hoort het.
Ook Almere Haven is gebaseerd op de ondergrond, maar dan op een andere manier. Verborgen onder de vlakke bodem van holocene klei liggen zandduinen, valleien, oude rivierbeddingen. Door bodemonderzoek in kaart gebracht hebben deze indirect de loop bepaald van het grillige grachtenpatroon dat als onderlegger diende voor het ontwerp. Juist boven de oude lopen van stroompjes en beken, daar waar de holocene kleilaag het dikst is, zou immers nu het minst gevaar bestaan voor doorlekken van grondwater vanuit het Gooi naar de diep gelegen polder. "Kwel" was uit den boze. Voor de ontwerpers, die vooral niet wéér een Bijlmer of een Lelystad wilden, vormde dat een mooi excuus.
Alleen Almere Stad heeft zich niets van enige ondergrond aangetrokken. Stedenbouwer Henk de Boer heeft daar veel kritiek op gekregen. Vooral de landschappers verweten hem z´n eigenwijze standpunt. In het juist verschenen boek over Alle Hosper klinkt het nog door: "Met Almere Stad viel niet te praten". Nieuw was zijn standpunt niet. Je hoeft er niet eens een modelstad voor op te zoeken: ook de Amsterdamse grachtengordels berusten op een autonoom plan. Toch is ook Almere Stad geen ´città ideale´ geworden, niet die heldere plattegrond die vanuit een eenvoudig stel uitgangspunten als vanzelf ontstaat en géén nieuw hoofdstuk dus in het boek van de Klerk.
Misschien waren de twee uitgangspunten van waaruit de Boer met z´n team vertrokken was (2) wel onverenigbaar: "De plantvormige stad" en "De stad als een samenstel van lussen voor de auto en de bus". Christopher Alexander had er nog wel voor gewaarschuwd: "A city is not a tree."
1. ´Op zoek naar de ideale stad´ L.A. De Klerk — Van Loghum Slaterus 1980 — ISBN 90 6001 6181
2. In het eerste verhaal van `Bedacht en gebouwd. 25 jaar Almere Stad` heb ik deze twee uitgangs-punten uitvoerig beschreven. Het is verkrijgbaar bij Casla Almere — ISBN 90 73734 09 6
Niets hieruit mag gebruikt worden zonder schriftelijke toestemming vooraf van de auteur.