De Bevrijding was officieel voorbij - door Stephan Sanders
De Bevrijding was officieel voorbij, het was na de klok van twaalven, in de
vroege ochtend van 6 mei 2010. Het was die dag zonnig geweest, de Esplanade
had vol gestaan met een menigte die hotdogs at en naar Guus Meeuwis
luisterde.
Ik had die dag twee vrienden uit Amsterdam hun eerste rondleiding gegeven
door Almere, en betrapte me al doende op een hypersnelle inburgering, want
om het kwartier vroeg ik: 'En? Wat vinden jullie? Het valt hier toch reuze
mee?'.
Hengelend naar complimentjes, o, wat wilde ik graag de goedkeuring krijgen
van de hoofdstadvrienden, alsof ze Michelin sterren te vergeven hadden en ik
er voor mijn nering afhankelijk van was.
Ik ontpopte mij op die Bevrijdingsdag dus als een echte Almeerder.
Maar ook aan mijn officieuze ambassadeursrol kwam een einde, de vrienden
werden op de trein gezet, overal in de stad stonden, hingen en lagen nog de
restanten van de voorbije feestdag, en daarmee bedoel ik ook mensen.
De meesten hadden wat gedronken, veel gedronken, en ik was zelf geen
uitzondering. Het festival terrein van de Esplanade was nu zowat verlaten,
het beroemde stuifzand deed zijn werk, en ergens midden op die onttakelde
vlakte zat een man in kleermakerszit. Hij was huiveringwekkend op zijn
gemak, leek geen oog te hebben voor de omgeving, en staarde over het
Weerwater, als was het de Dode Zee.
Uit het niets sprak hij de woorden: 'Ik ben de Homoseksueel van Almere'.
Het was een orakelspreuk, ik kreeg niet de indruk dat het de bedoeling was
dat ik er op reageerde.
Ik herinner me vaag dat ik naast hem ging zitten, dat wij daar zwijgend
staarden, terwijl de allerlaatste gasten zwalkend hun weg naar huis vonden.
Deze hele scene komt me nu als een hallucinatie voor. Wat deed die man
daar? Waarom zei hij wat hij zei? En vanwaar die stille, platonische
verbroedering die erop volgde?
Maar 's anderdaags, bij het katterig wakker worden keek ik uit mijn Hema
flat naar het Festivalterrein, waar de dranghekken opgehaald werden en de
stadsreiniging wagentjes hun rondjes draaiden.
Naast mijn bed mijn laarzen: bruin waren die geweest, de dag ervoor, maar
nu sloegen ze wit uit, Esplenada wit. Ook mijn broek was wit, het stuifgoed
had ook vegen nagelaten op mijn lichaam.
Nog steeds het idee, dat ik die nacht een ceremonie heb ondergaan, een
inwijdingsritueel. De bewijzen daarvan kon ik moeilijk loochenen. Het kostte
toch nog vijf minuten poetsen om de laarzen weer bruine laarzen te laten
worden.
Ik was gedoopt. zo zag ik het. En dat ik niet wist waarom, waartoe, maakte
het alleen maar Echter & Dieper.
Bijdragen
Reacties