Mevrouw Lindemans staat me op de galerij op te wachten, een kleine, frêle vrouw. Haar arm in het gips na een val op het balkon. Het appartement staat vol foto’s, snuisterijen, knuffels. Mevrouw Lindemans (79) en haar man zijn in 1981 van Amsterdam naar Almere verhuisd. De Klipgriend was het eerste adres, in 1999 is mevrouw Lindemans naar de Sluis verhuisd. Alleen, want haar man is in 1993 overleden.
Fata morgana
“Waar wij woonden vroeger, in de Indische Buurt, dat moest helemaal plat,” vertelt mevrouw Lindemans. “We konden alleen vervangende woonruimte krijgen in de Bijlmer. Op negen hoog. Dat wilden we niet. Toen hebben we ons ingeschreven in Almere. Het duurde lang voor we iets kregen, zeven jaar. Elke maand gingen we even kijken, er was steeds iets nieuws, heel leuk. We waren bij de opening van Jac Hermans, de eerste supermarkt. We hebben de eerste paal zien slaan. Alles was zand, zand, zand, zand en nog ‘s zand. Mijn vader zei ‘kinderen, waarom gaan jullie hier wonen? Het is een fata morgana in een woestijn.’ Maar ik zei ‘pa, over vijf of tien jaar moet u ’s kijken hoe het hier dan is!’. Ik besefte toen al dat het wel wat zou worden. We kregen een heel schrijven en allemaal foto’s en een plattegrond waar alles zou komen en dat is allemaal uitgekomen. Het was wel heel eenzaam in het begin, er was maar een blok huizen. Maar toen we de mensen leerden kennen werd het gezellig. Wel leuk, we hielpen elkaar allemaal. Dan waren de mannen weer bezig en dan zei ik ‘wat willen jullie? Koffie, thee, limonade, bier?’ Ik heb de stad echt groot zien worden.”
Thuis op de sluis
“Het mooiste plekje van Almere, daar kijk ik op uit. “Kom maar kijken.” Mevrouw Lindemans troont me mee naar het balkon. Inderdaad, een heerlijk uitzicht over de sluis, de havenkom en het Gooimeer. “In de zomer zit ik hier veel. Kijken naar het gedoe in de sluis. Dan is het een komen en gaan van bootjes. Die liggen daar allemaal achter elkaar te wachten tot ze de sluis door kunnen. Dan is het echt gezellig. Er zijn mensen bij die een hond of een kat aan boord hebben. Dan zit ik hier te kijken naar het gedoe. En ’s avonds de zonsondergang. Zoiets unieks. De bomen worden dan helemaal goudgeel, prachtig. Zo’n mooi gezicht. Zelfs de aula van de begraafplaats, die wit is, wordt dan ook helemaal goud. Ze hebben me aangeraden in de Overloop te gaan wonen. Echt niet! Wat moet ik daar doen? Bovendien, je raakt zoveel kwijt, ik kan mijn spulletjes niet meenemen. Ik ken iedereen in de flat, we kennen elkaar allemaal, noemen elkaar allemaal bij de voornaam.”
Verdriet
“De Grienden, daar waar we gewoond hebben, daar heb ik geen leuke herinneringen aan. Mijn man is daar het huis uitgegaan en niet meer teruggekomen. Hij is overleden in het Flevo. Op de operatietafel. Dat is nu zestien jaar geleden. Heel erg. Ik heb bloedtranen gehuild. Als ik het erover heb, schiet ik nog vol. Mijn man ligt hier aan de overkant, op het kerkhof. Daar ga ik vaak heen. Het graf onderhouden, een praatje maken. Het is niet anders. We hadden geen kinderen, mijn zusjes zijn overleden. Ik heb alleen nog mijn jongste broer die in Amsterdam woont. Hij komt hier naartoe of ik ga naar hem toe. Daar ga ik vaak naar toe. Al met al ben ik hier best tevreden hoor. Blij met mijn plekje bij de sluis.”
Reacties