Een bezoek aan het Gewilde Wonen met vergaande consequenties.
In september 2001 bezochten mijn vriendin en ik uit interesse in architectuur de bouwexpositie Gewild Wonen. Het was mijn eerste bezoek aan Almere, dat ik alleen uit verhalen kende van mensen die er in meerderheid nog nooit waren geweest. De trein stopte in Almere Buiten waar een bus ons naar het expositieterrein bracht. De route liep langs de Regenboogbuurt en ik verbaasde me over de ruime opzet, de eenvormigheid en de vrolijke kleuren.
Het eerste project dat we zagen was een rechthoekig blok dat nog het meest aan een gevangenis deed denken. Het bestond uit zwarte torens en metalen dozen met heuse tralies en een omsloten binnentuin. Bijzonder lelijk vonden we en we liepen er in een boog omheen. Het duurde een hele expo voordat we de modelwoningen durfden te betreden, als toegift na een interessant bezoek.
We waren meteen verkocht. Wat van buiten donker en besloten was bleek van binnen ruim, spannend en licht. In vergelijking met ons kleine appartement in Amsterdam was deze woning een paleis. Op dat moment bleek dat onze relatie ruimte nodig had. De discussie was hevig maar kort: dit huis was wat we zonder het te weten zochten. Een paar opties later was het van ons.
Het duurde nog tot juni 2002 voordat we de woning betrokken. Het huis paste als een handschoen en het doet dat vier jaar later nog steeds. Almere bleek een gouden greep: een stad in opbouw op een steenworp afstand van de Randstad met ruimte voor bewoners en eigen initiatieven. Ik vraag me nog wel eens af wat er van ons was geworden als mijn vriendin geen architect was geweest.
Reacties