Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

verhaal: Maria van Daalen

PSALM 22

2006

Een gedicht van Maria van Daalen. Dit gedicht is eerder gepubliceerd in het tijdschrift Krakatau

Als ik de deur van de koelkast opendoe
staat de schimmel een centimeter op de melk.
Het brood is groen en haast doorzichtig.
Ik sluit de deur en leun met gesloten ogen
tegen de verwarming.
Ik heb zo ontzettend.
Ik heb zo verschrikkelijk.
Ik hield van hem.

Toen hij wegging is er iets gescheurd.
Nog steeds kan ik de geur van cocos niet verdragen
zoals zijn haar rook, smeltend in mijn bed
de kleine zwarte krullen en de vlekken.
Ik ben vertrokken met bestemming onbekend
totdat ik ook mijn eigen naam vergat.
En nu.
Ik doe de deur van de taal open
en zie de roest van ongebruikte woorden.
Hoe open ik opnieuw mijn boek met vuur?

Toen hij wegging is er iets gescheurd.
Ik keek naar mijn handen in het afwaswater
en zag de scherven die er niet waren,
de zeepbellen die langzaam opkwamen en wegdreven,
het ene lege glas.

Hij stuurt mij na jaren nog een email:
‘vandaag had iemand jouw parfum op,
ik rook het in de universiteitsbibliotheek
en heb een uur naar je gezocht terwijl ik wist
dat je op acht vlieguren afstand was.’

Maar de taal die ik ben staat mij niet toe
mijn tranen te beschrijven als drijfnat.
Hoe wil je dan dat ik mij red, geliefde?
Toen ik zei dat ik liefhad was het jij
die in mij was. Een ander is er niet,
jij bent de enige. Dat spreekt. Jij spreekt. Jij spreekt in mij
en jij zegt ik en ik betekent aarde.

Toen hij wegging is er iets gescheurd.
Vanuit het gescheurde is het begonnen
te bloeden tot het vleugels had
en met de slagpennen de weg beschreef
vanuit de diepten, de profundis, naar het licht.

Reacties