Toen het Projektburo Almere zich in 1973 op z´n opdracht bezon, was het streven : "milieudifferentiatie" en alles wat saai was werd afgedaan als "monocultures". Dirk Frieling die de leiding van het PBA van Seegeren had overgenomen, stelde mij voor een catalogus te maken van alle woonvormen die denkbaar waren in ons geval zodat je, daarmee in de hand, een maximale differentiatie zou kunnen regisseren.
Zolang ik hem ken is Frieling een regisseur geweest: In Delft was dat al begonnen met de complete reorganisatie van Stylos, de vakvereniging van bouwkundestudenten, waarbij hij de hele afdeling als uit een winterslaap heeft wakkergeschud. Later zette hij met Nederland Nu -2050 op systematische wijze heel ontwerpend Nederland aan het werk, maar eerst was Almere aan de beurt.
Ik begon met een overzicht van wat je allemaal kunt variëren om tot verschillende woonmilieu´s te komen: de dichtheid, de hoogte, het open of besloten karakter en zo meer. “Variabelen" noemden wij dat.. Een verleidelijke gedachte: Bij het ontwerpen van de stad schuiven met een serie variabelen, zoals een organist met z´n registers speelt om verschillende klanken te kunnen opwekken!
In november 1973 was de catalogus klaar: Woonomgeving Almere, ´n typologie en richtlijnen. Per bladzijde steeds hetzelfde “orgelfront" met daarop telkens andere combinaties van de variabelen. Alles verlucht met schetsjes van mogelijke woonmilieu´s, zowel in moderne vorm als herleid tot hun historische oorsprong.
Frieling zag hier wel wat in als middel om de verlangde variatie te bereiken. Maar verschillen in een stad ontstaan niet alleen door de manier waarop je woningen rangschikt. Daarom wilde hij komen tot een serie Programmering van woongebieden (1).
Als schrijver van het eerste deel kwam ik in de redactie. Een half jaar later publiceerden Nawijn (2) en Laumanns (3) het tweede deeltje: Methode tot karakterisering van de verschillende situeringen van woongebieden in Almere Haven. Hier werd het spelen met de registers minder vrijblijvend. Nawijn en Laumanns onderscheidden in het plan voor Almere Haven, dat inmiddels in de maak was, allerlei zones: Dichtbij het centrum of juist ver er van af. Dichtbij of ver van bushaltes- autowegen- en fietsroutes. Verder gaven ze diverse randzones aan: langs de buitenkant van de kern, langs parken of langs grachten. De vereiste kenmerken voor elk van die zones werden vervolgens toegedeeld aan de vakjes van een raster dat ze over de hele kern geprojecteerd hadden. Elk van de ongeveer 2000 vakjes van het raster kreeg een eigen code. Dat is nog eens systematisch programmeren! Maar ontstaat er zo ook variatie?
Andere delen volgden, maar terwijl de serie completer werd kwamen we tot de ontdekking dat het ontwerpen van een stad toch anders in z´n werk gaat dan het spelen met de registers van een orgel …..
Met elk nieuw boekje werd het ingewikkelder en bovendien: Dat heen en weer schuiven tussen al die verschillende mogelijkheden kan men niet zomaar doen. Zelfs op de ongerepte zeebodem werden de talloze beslissingen beperkt, of zelfs gedicteerd, door de realiteit!
Ondanks het verlangen naar variatie, ondanks alle modes en ontwerpopvattingen die in Almere terug te vinden zijn, ondanks experimenteren tot de grenzen van wat nog mogelijk was, is het niet gelukt een zekere monotonie te vermijden. Hoe kan het ook anders bij een stad die in zo korte tijd tot stand gekomen is.
1. De complete serie Programmering van woongebieden is verkrijgbaar inde bibliotheken van stadhuis Almere en Riza in Lelystad.
2. Klaas Nawijn was planoloog van Almere Haven
3. Hans Laumanns ontwikkelde zich al spoedig van landschapsarchitect tot projectleider van Haven.
Niets hieruit mag gebruikt worden zonder schriftelijke toestemming vooraf van de auteur.