De aanleiding was een beperkte opdracht van de RIJP-directie die met hem na het ontwerp voor de Meerpaal in Dronten een goede relatie had gekregen. Van Duin(1) had hem in de opdrachtbrief verzocht "een rapport samen te stellen betreffende de meest wenselijke opzet en integratie van "Freizeitanlagen" in een stad die in het jaar 2000 naar raming 125 á 250.000 mensen zou moeten huisvesten". Het was een vinger die uitgestoken werd, maar van Klingeren, in z´n enthousiasme, pakte de hele hand. Voor hem ging het met die vraag om meer en hij beantwoordde de opdracht met: "Wij hebben ons … beperkt tot het aandragen van de aanwezige, zichtbare symptomen van veranderende opvattingen die tot een ander wereldbeeld, cq denkpatroon, zouden kunnen leiden". Een nederige formulering van een heel grote ambitie: Voor de homo ludens is de hele stad immers een "Freizeitanlage"!
Het rapport "Zuidweststad – Woonlandschap" (2), dat zijn groep een half jaar later aan de RIJP aanbood, stond vol citaten van wetenschappers. Er waren "sociaal-culturele en maatschappelijke paragrafen", maar die wetenschappelijkheid was niet meer dan een verpakking van het verhaal dat van Klingeren overal uitdroeg en dat hij verwezenlijkt had met de Meerpaal in Dronten en het Karregat in Eindhoven: Een sociale droom zoals die kon gedijen in deze periode, na kabouterbeweging en studentenrevolte. Zelf noemde hij het "een herbezinning op … de vorm waarin zich elkaar verdragende activiteiten met elkaar verweven kunnen worden: Doe meer met minder". Van Klingeren hoopte de kans te krijgen om zijn utopie waar te maken in die polynucleaire polderstadstad: "Heel Zuidweststad zij één agora"
In het rapport werd een diepgaand onderzoek voorgesteld naar "doeleinden, middelen en gevolgen van het wonen" waarbij "de oplossing van het probleem van de vereenzaming mede afhankelijk is van het omzetten van vermeende privacy in openbaarheid, en het steviger verankeren van de werkelijke privacy … en naar een keuzevrijheid die niet ophoudt bij de veelgeprezen flexibele woning maar die zelfbeschikking impliceert over de plaats waar men wenst te slapen en te leren…"
En dan wordt hij concreet: "Deze feiten zijn reeds lang te zien .. op de camping en in de jachthavens". Het doe- meer- met- minder-principe werd geïllustreerd met de vergelijking tussen het flatje in Eindhoven en de tent in Renesse "waar opa en oma tezamen met hun beide kleinkinderen zo graag vier maanden wilden blijven, of langer zo het weer en de wettelijke bepalingen hun dit toestonden." De tent won in alle opzichten glansrijk: op gewicht, naar oppervlak en naar kosten.
Een van de opstellers van het rapport, John de Weijer, oud studiegenoot van mij uit Delft, bezocht me een paar jaar later op het Smedinghuis. Ik herinner me nog hoe hij heilig geloofde in de boodschap van een nieuwe stad waar voor altijd een eind gemaakt zou worden aan de dominantie van die burgerlijke en benauwende ééngezinswoning, waar breed geëxperimenteerd zou worden met varianten van centraal wonen, zonder het corset van dwingende bouwvormen.
De postmoderne maatschappij daarna had geen aandacht meer voor zulke experimenten. Vijfentwintig jaar later liet Carel Weeber zich filmen tussen de eigen bouwsels op volkstuincomplexen: Daar konden we nog eens een voorbeeld aan nemen!
1. Van Duin was toen adjunctdirecteur van de RIJP
2. Zuid Weststad Woonlandschap, okt 1970, RDIJ bibliotheek Smedinghuis Lelystad
Niets hieruit mag gebruikt worden zonder schriftelijke toestemming vooraf van de auteur.