Città Ideale? Zelfs niet mogelijk.

2003

Toen in de jaren zeventig de plannen voor Almere bekend werden, barstte de kritiek los. Zo gaat dat, onbewust verwacht men het ideale plan voor de ideale stad en wat blijkt? Het was een plan, zoals andere plannen, niet bijzonder. Het was "gewoon". Dát was de tegenvaller.

Waarom is er geen ondubbelzinnig totaalconcept neergelegd, meer dan alleen dat idee van een polynucleaire structuur? Al was het maar een open rasterpatroon geweest dat over de polder geprojecteerd was zoals dat in Milton Keynes is gedaan over een bestaand landschap. Volgens Carel Weber is dat trouwens het enige dat de stedenbouwer te doen staat, rasters neerleggen.

Ik denk dat het hier niet gekund had, zo´n grote greep. De verantwoordelijkheid voor het plan was te verdeeld: Op de eerste plaats was het team dat Almere bedenken moest samengesteld uit de nogal uiteenlopende vakdisciplines van onderzoekers, technici en ontwerpers. Alfa´s tegenover bèta´s, taalmensen tegenover beeldmensen, denkertjes tegenover makertjes. De eerste jaren leverde dat een Babylonische spraakverwarring op. Ieder koesterde z´n eigen denkbeelden over de nieuwe stad.
Dan was er een voortdurende machtsstrijd tussen deze "jonge wilden" van het PBA en de zittende afdelingen. De grote Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP), waarin het Projektburo als een nieuw orgaan was ondergebracht, had z´n gezonde afstotingsmechanismen: De afdeling Cultuur en Recreatie bijvoorbeeld (HCR), beheerders van het landbouwareaal in de polders, beschouwde de buitenruimte tussen Almere´s kernen als háár domein. En de afdeling Stadsontwik-keling (HSOW) claimde zeggenschap over het gebouwde, woningbouw en openbare gebouwen. Per slot hadden zij de expertise in huis, met eigen architecten, tekenaars en opzichters. Iedereen wilde z´n invloed hebben op dit aantrekkelijke project.

Maar ook de RIJP had het niet alleen voor het zeggen. De Dienst der Zuiderzeewerken (ZZW) die ressorteerde onder dat zelfde Ministerie van Waterstaat, speelde als verantwoordelijke voor infrastructuur van dijken en vaarten een aanzienlijke rol. Als de ZZW dwarslag kon je het wel schudden. Een aparte factor was verder de beheerder van de rijkswegen, RWS, die niet meer dan een of twee afslagen wilde in de nieuwe stad en die, op de plek waar het PBA de centrale kern aan het uitwerken was, onverstoorbaar doorging met het aanleggen van een kaarsrechte Rijksweg 6!
En daarmee is de lijst van meedenkers en medebeslissers nog niet compleet. De andere ministeries eisten hun rechten. Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruim-telijke Ordening keek natuurlijk met lede ogen toe hoe het ontwerpen van de laatste nieuwe stad van Nederland door een technisch ministerie werd beheerd (als íets nu ruimtelijke ordening is). Het was dat de RIJP goede contacten onderhield met de Rijksplanologische Dienst, anders was dit niet gelukt. En dan Landbouw en Visserij waaronder ook Staatsbosbeheer valt. Tweederde deel van de stad zou immers bestaan uit landbouw, bossen en plassen. Daar gingen zij over. Over machtige semi-overheidsdiensten als de NS, de nutsbe-drijven en de PTT (die de indeling in kernen vanaf de eerste dag genegeerd heeft en een eigen indeling in postcodes bedacht) zal ik het maar niet hebben.

Dit ontwerpproces is een staaltje geweest van "het poldermodel". Teun Koolhaas drukt het kernachtig uit in zijn zeilersterminologie: "Nederlanders dulden niet één kapitein op het schip".
Utopische steden ontstaan alleen in het brein van één persoon, en ze zijn zelden gebouwd, zeker niet in Nederland.

Niets hieruit mag gebruikt worden zonder schriftelijke toestemming vooraf van de auteur.

auteur:  Brans Stassen