Hij spoorde er honderden lichamen mee op. Gesneuvelde soldaten uit de Tweede Wereldoorlog, slachtoffers van moord. Harry lijkt een doorsnee Almeerder: een aardige, rustige man die eindeloos kan vertellen over zijn ongewone beroep maar op geen enkele manier luguber of sensatiebelust overkomt.
Harry Jongen: “Ook hier in de Flevopolder hebben we gewerkt. Ik liep hier rond in een compleet maagdelijke polder, geen huis te bekennen. Vanwege de veiligheid moesten de vliegtuigen die in de Tweede Wereldoorlog naar beneden gekomen waren, geborgen worden. Er zijn vaak nog bommen aan boord, daar kan je natuurlijk geen nieuwe wijk opzetten. Aan de Oostvaardersdijk, bij kilometerpaal 13.4, hebben we een weg naar het vliegtuigwrak aangelegd. Maanden zijn we bezig geweest. Half in de blubber en in het water. Vijf man nog aan boord. En bommen. Drie maanden hebben we daar gewerkt. Elke dag op je knieën in de blubber bezig de stoffelijke resten van die vijf man er uit te peuteren. Ze zaten allemaal op een kluitje achter de pantserplaat bij de piloot. Dat is de meest veilige plek. Jonge jongens van tussen de 18 en 22 jaar, niet niks. Daar moet je wel tegen bestand zijn. Ik ben vrij nuchter, het doel is die jongens eruit te halen en te zorgen dat ze geïdentificeerd worden en fatsoenlijk begraven.” We liepen met emmertjes stoffelijke resten heen en weer. Vervolgens ga je puzzelen, in het laboratorium. Net zo lang tot iemand compleet was. Als ik daarmee bezig was, kon ik bijna niet stoppen tot ik iemand weer helemaal in elkaar had. Een mens heeft 206 botten, ik kan blindelings voelen wat ik in mijn handen heb.”
Specialist in het bergen en identificeren van stoffelijke resten. Harry Jongen heeft als klein jochie vast niet bedacht dat hij dát wilde worden. Na de HBS werd hij beroepsmilitair. Hij moest in dienst en zo verdiende hij in ieder geval nog een aardig salaris. In 1967 liep hij langs een opleidingsruimte en hoorde allerlei Latijnse termen: intrigerend. Het bleek te gaan om een opleiding voor begrafenispersoneel. Harry Jongen: “Machtig interessant! Ik ben de opleiding in mijn eigen tijd gaan doen. De praktijk volgde snel: het opgraven van stoffelijke resten uit graven waarvan de termijn verstreken was. Daar heb ik de techniek geleerd, de anatomie. Resten van gesneuvelde soldaten opsporen is natuurlijk een heel ander verhaal. Daarbij staat de identificatie centraal. Er liggen nog zeker een paar duizend soldaten uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland. In de jaren ’70 deed ik mijn eerste vliegtuigberging, in Nijkerk.”