Slimme jagers en verzamelaars

Almere tienduizend jaar geleden. Nat en droog. Zout en zoet. Misschien wel een van de rijkste gebieden op aarde. De Almeerders uit de Steentijd waren sterk, groot en gezond en konden relatief oud worden, wel zo’n zestig, zeventig jaar. Wat wil je, ze hadden de Schijf van Vijf onder handbereik. Bovendien zetten de natuur flink naar hun hand. Hoe? Gewoon: de fik erin! Stadsarcheoloog Willem Jan Hogestijn weet er alles van.

Stadsarcheoloog Willem Jan Hogestijn – gemeente Almere

In Almere worden er tijdens het bouwrijp maken van de grond, regelmatig overblijfselen gevonden uit de Steentijd, zo’n tienduizend jaar geleden. Fragmenten van geroosterde hazelnootdopjes worden het meest gevonden. “Als je die vindt, heb je vrijwel zeker te maken met een archeologische vindplaats,” vertelt Willem Jan Hogestijn. “Hazelnoten werden veel gegeten in de Steentijd. Ze werden geroosterd zodat de schil bros werd en vervolgens met behulp van een paar stenen ontdaan van de schil. Mensen in die tijd leefden van wat het landschap hen bood maar hielpen de natuur wel een handje.”

De fik erin!

Ze waren erg inventief, die Steentijders. Ze ontdekten dat land in alle opzichten meer op gaat leveren na een flinke fik. En er werden geen halve maatregelen genomen. Willem Jan Hogestijn: “Bewoners toen deinsden er niet voor terug een stuk grond ter grootte van Almere in de fik te steken. Ze wisten dat je dan na een paar jaar 500% tot 900% meer dieren en planten hebt die je op kunt eten. Dat gaat bijvoorbeeld zo. De hazelaar kan goed tegen de hoge temperaturen van een brand en komt na een brand als eerste weer op. De jonge scheuten nemen het licht voor andere planten weg en trekken wild aan. Door die branden ontstaat een meer open landschap waarin het wild zich niet goed kan verschuilen en dat is dan makkelijker te bejagen. Bovendien groeiden de jongere dieren sneller en werden oudere dieren groter. Er werd gejaagd op edelherten, wilde zwijnen en pelsdieren. En op oerossen: enorme beesten met een hoogte van zo’n twee meter. Jagen gebeurde met pijl en boog, de boog vaak manshoog, de pijlpunten van steen en vlijmscherp. Alles van het dier werd gebruikt: de huid, het vlees, het vet en de botten. Waarschijnlijk werden er ook vogels gevangen met behulp van netten.”

Haaien, dolfijnen, zeehonden...

De woeste rivier de Eem die het gebied doorkruiste, bood een andere belangrijke voedingsbron. Willem Jan Hogestijn: “In het binnenland werd gevist op vis als karper en paling. Op plekken waar het water brak werd, ging het er heftiger aan toe want daar zwommen niet alleen kabeljauw en schelvis, maar ook dolfijnen en zeehonden. Plantaardige voeding was er ook in overvloed. Bessen, eikels, hazelnoten, en wilde appels, maar ook wortelstokken en zaden van de waterlelie en gele plomp. De zaden daarvan werden gemalen en als meel gebruikt. Paardebloemen, brandnetels en paddenstoelen werden ook gegeten. Er was een enorme overvloed.”

Later werd het land overspoeld door de zee en de bewoners teruggedrongen naar droge gebieden in het oosten en zuiden. En dat bleef zo totdat een groepje visionairs in de jaren zestig van de vorige eeuw op het idee kwam het land terug te winnen. De hazelnootfragmenten die gevonden worden op de plekken waar de nazaten van de mensen uit de Steentijd zich willen gaan settelen, herinneren ons aan hoe het ooit was.

auteur:  Connie Franssen
 
 

Bezoekersidentificatie

Type de tekst over dit is nodig om te beschermen tegen spammers


De code is niet leesbaar, geef nieuwe code